(placeholder)

DE GERECHTSDEURWAARDER

Een open kijk in de wereld van de gerechtsdeurwaarder

ZIE OOK

Gerechtsdeurwaarders zijn openbare ambtenaren en ministeriële officieren in de uitoefening van de ambtelijke taken die aan hen zijn opgedragen of voorbehouden bij wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit. Zij worden door de Koning voor het leven benoemd.


De koning bepaalt het aantal gerechtsdeurwaarders per gerechtelijk arrondissement en dit nadat de adviezen zijn ingewonnen van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep, van de Procureur des Konings en van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.


Slechts nav. overlijden, afzetting of het overschrijden van de leeftijd van 70 jaar van een benoemde gerechtsdeurwaarder, kan een nieuwe vacante plaats vrijkomen. De vacatures worden twee keer per jaar in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt, tenzij een afzonderlijke publicatie noodzakelijk is.


Om tot gerechtsdeurwaarder te kunnen worden benoemd moet men minstens 5 jaar kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder welke zich kandidaat stelt voor een vacante plaats van gerechtsdeurwaarder dient, op straffe van verval, zijn kandidatuur op de door de Koning bepaalde wijze bij de Minister van Justitie in te dienen en dit binnen de termijn van één maand na bekendmaking van de vacature in het Belgische Staatsblad.


Hierop dient de Minister van Justitie, binnen een termijn van 45 dagen na publicatie in het B.S. van de vacature, volgende met redenen omklede schriftelijke adviezen over de kandidaten aan te vragen aan :


- de Procureur des Konings van het arrondissement waar de kandidaat zijn woonplaats heeft,

  waarbij het gegeven advies het resultaat is van een onderzoek naar diens omgeving en antecedenten.

- de Raad van de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders van het gerechtelijk arrondissement

  waar de kandidaat zijn beroepsactiviteit uitoefent of het laatst heeft uitgeoefend.


Deze adviezen dienen binnen een termijn van 90 dagen na publicatie in het B.S.

van de vacature door de advies verlenende instanties te worden overgemaakt

aan de Minister van Justitie.


Een afschrift hiervan wordt eveneens per aangetekende zending overgemaakt aan

de kandidaat zelf. Elke kandidaat kan, binnen een termijn van 100 dagen na

publicatie in het B.S. van de vacature of uiterlijk binnen een termijn van 15 dagen

na de kennisgeving van het het advies, hun opmerkingen hieromtrent overmaken

aan de advies verlenende instantie en aan de Minister van Justitie.


Uiterlijk binnen een termijn van 30 dagen na het verstrijken van de hiervoor vermelde

termijn, maakt de Minister van Justitie voor elke kandidaat het benoemingsdossier

over aan de bevoegde benoemingscommissie. Dit benoemingsdossier bevat de

ingediende kandidatuur met de door de Koning bepaalde verplichte bijlagen, de schriftelijke adviezen en de eventuele opmerkingen van de kandidaat zelf.


De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen alle kandidaten te horen. Zo niet, bestudeert zij de door de minister van Justitie overgezonden benoemingsdossiers en maakt, op basis van door de Koning te bepalen objectieve criteria, een lijst op van de te horen kandidaten. Van deze lijst wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt. Nadat de benoemingscommissie door een aangetekende zending iedere kandidaat van haar met redenen omklede beslissing op de hoogte heeft gebracht, roept zij de in aanmerking genomen kandidaten op en hoort ze, alsook alle niet in aanmerking genomen kandidaten welke, binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving die aan hen werd gedaan, hierom hebben verzocht bij aangetekend zending. Zij maakt vervolgens een rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten. Indien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kandidaten.


De rangschikking geschiedt op grond van criteria welke betrekking hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder.

Van deze rangschikking wordt een met redenen omkleed Proces-Verbaal opgemaakt, dat door de Voorzitter en de secretaris van de benoemingscommissie wordt ondertekend. Indien een kandidaat met eenparigheid van stemmen als eerste wordt gerangschikt, wordt daarvan melding gemaakt.


Dertig dagen nadat de termijn is verstreken waarbinnen de Minister van Justitie het benoemingsdossier diende over te maken aan de benoemingscommissie, dient de Voorzitter van de benoemingscommissie de algemene lijst met de gerangschikte kandidaten en het Proces-Verbaal over aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de algemene lijst wordt eveneens overgemaakt aan de kandidaten.


Hierop benoemt de Koning de kandidaat op voordracht van de Minister van Justitie uit de door de benoemingscommissie gerangschikte kandidaten.


Elke kandidaat die niet benoemd werd kan, mits hij de benoemingscommissie er schriftelijk om verzoekt, inzage en een afschrift krijgen van het proces-verbaal dat op hem en op de benoemde kandidaat betrekking heeft.


Het Koninklijk Besluit tot benoeming bepaalt in welk gerechtelijke arrondissement de gerechtsdeurwaarder zijn ambt zal uitoefenen en kantoor moet houden. Vervolgens wordt bij Ministerieel Besluit bepaalt in welke gemeente (van het gerechtelijke arrondissement) de gerechtsdeurwaarder kantoor dient te houden.


De gerechtsdeurwaarder mag zijn ambtelijke taken slechts uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement dat bij Koninklijk Besluit is bepaald.


De gerechtsdeurwaarder dient zich, binnen de termijn van 1 maand nadat hij in kennis werd gesteld van het besluit van zijn benoeming, aan te melden ter openbare terechtzitting van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar hij zijn ambt zal uitoefenen. Hij legt er de eed af van trouw aan de Koning en van gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, alsmede die zich te zullen schikken naar de wetten en verordeningen van zijn ambt en zijn functies stipt en nauwgezet uit te oefenen.

Onmiddellijk na zijn eedaflegging deponeert de gerechtsdeurwaarder zijn handtekening en paraaf ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg en bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.


De gerechtsdeurwaarder kan geen enkele ambtshandeling verrichtingen, vooraleer hij de eed heeft afgelegd en zijn handtekening en paraaf heeft gedeponeerd.


zie ook art. 515 Ger.Wb.


DE BENOEMING ALS GERECHTSDEURWAARDER